| Het jongetje met het afgeplakte oog. Je had hem in de klas. Of je was hem zelf. Het was de bedoeling dat je ‘luie’ oog zijn leven ging beteren. Zodat je ogen beter gingen samenwerken. En jij beter ging zien. Goed idee. Het werkte. Wie kwam erop? De orthoptist. Als orthoptist weet je alles van de werking van het oog. Van hoe het werkt in de hersenen als het gaat om zien. En van de samenwerking tussen beide ogen. Die moet goed zijn, wil een mens optimaal kunnen zien. Is die samenwerking niet goed? Denk aan een lui oog, of aan scheelzien. Dan helpt een orthoptist. Met een bril, afplakken of druppels. Wat er maar nodig is. Veel patiënten die bij de orthoptist komen, zijn jonger dan twaalf jaar. Je moet dus goed met kinderen kunnen omgaan. En met ouders. Je moet ingewikkelde dingen begrijpelijk kunnen maken. Maar ook volwassen patiënten zul je onderzoeken want er komen steeds meer oudere mensen: de zogeheten vergrijzing. Door een neurologische aandoening kunnen deze mensen dubbel gaan zien. Ook mensen met suikerziekte of een spieraandoening zien soms dubbel. Aan jou om uit te zoeken wat er aan de hand is en het juiste te adviseren. Je werkt nauw samen met andere disciplines in de zorg. Zoals huisartsen, neurologen, internisten, kaakchirurgen en natuurlijk de oogarts. Een oogarts kun je adviseren over een scheelziensoperatie en je doet de voor- en nazorg. |