De eerste zionisten kozen het Hebreeuws als taal voor de moderne Joodse cultuur. Later werd het de taal van de nieuwe staat Israël. Dit Modern Hebreeuws verving geleidelijk het Jiddisch: de taal die voor de Joden in Europa lange tijd de gesproken en geschreven taal was.
Het Hebreeuws en de Joodse cultuur hebben een bewogen geschiedenis. Een geschiedenis die zich kenmerkt door de diaspora, de verspreiding van de Joden over het Midden-Oosten, Afrika, Europa en Amerika. Overal namen de Joden lokale gebruiken over, zonder daarbij hun religieuze tradities wezenlijk te veranderen. En hoewel ze overal de taal van hun omgeving gingen spreken, bleef het Hebreeuws een centrale rol vervullen in de Joodse cultuur.
Die cultuur heeft ook haar sporen nagelaten in de niet-Joodse omgeving. Zo speelden Spaanse Joden in de middeleeuwen een belangrijke rol als doorgeefluik van de Arabische wetenschappen in Europa. En het Asjkenazische (Duitse en Oost-Europese) Jodendom leeft voort in de rijke Jiddische literatuur. Talloze ‘Joodse woorden’ zijn verder in het Nederlands terechtgekomen, zoals ‘bajes’, ‘gozer’, ‘kapsones’, ‘lef’ en ‘mazzel’.
De geschiedenis van de Joodse cultuur en het Hebreeuws heeft zich, zoals de Joodse traditie zegt, afgespeeld ‘over de vier hoeken van de wereld’. Dat maakt de studie Hebreeuwse taal en cultuur bij uitstek interessant. Zeker ook in Amsterdam, het centrum van het Joodse leven in Nederland.