Jaap van Gelderen was vroeger bestuurslid van de Kamper studentensociëteit, tot 1986 gevestigd in de Cellebroederspoort. Foto MONIQUE KRUIZINGA Naar aanleiding hiervan een verhaal met Jaap van Gelderen. Toen student en lid van het sociëteitsbestuur. Een monoloog. ‘Ik denk dat het in 1966 of 1967 moet zijn geweest. Er bestond toen zoiets als een uitwisseling tussen studenten van de studentenvereniging SSR van Wageningen en die van Kampen. Dat ging er meestal ruig toe, wat wil je, midden in de jaren ‘60. Wij gingen daar op een gegeven moment naar toe in een paar gehuurde busjes. In de sociëteit van de Wageningers was het een drukte van jewelste. Als begeleiders moesten we onze eerstejaars toen goed in de gaten houden om te voorkomen dat hen iets werd aangedaan. Kaalscheren of zo, dat deden we niet in Kampen. Tja, dat ging zo toen.
Afijn, toen de sociëteit werd gesloten en wij naar huis gingen misten we een groepje eerstejaars. Dat was of had zich laten insluiten. Wij hebben toen ingebroken en dat groepje Kampenaren bevrijd. Als extra ‘heldendaad’ namen we een beeldje uit die sociëteit mee. Wij weer terug naar Kampen. De volgende dag werd er natuurlijk driftig getelefoneerd over dat beeldje. ‘Ze zouden ons wel mores leren’. Maar wij gaven geen krimp natuurlijk. Hadden ze onze eerstejaars maar niet moeten insluiten. Maar we beseften toen ook, dat de Wageningers dat beeldje zouden komen ophalen. Met geweld desnoods. Wij hebben toen besloten ons terug te trekken in de soos, het trapgast gebarricadeerd met meubilair en groene zeep.
Bij de invalswegen van Kampen, dat waren er niet zoveel, want Kampen kende toen nog geen nieuwbouwwijken zoals nu, zaten groepjes studenten op de uitkijk. En op een gegeven moment, ja hoor, de Wageningers kwamen eraan! Bussen vol! Die arriveerden bij de Poort en ramden de deur in. De trap konden ze niet gebruiken. Toen ramden ze de deur in de poort zelf in en sloten ons af van de watervoorziening. En wij zaten boven! De Wageningers kwamen op een gegeven moment toch de Poort binnen. Buitenom en door het dak. Ons konden ze door het trapgat niet bereiken en ze stelden ons een ultimatum: overgave of de fik ging erin.
Toen wij op een gegeven moment brand roken hebben we ons overgegeven, want een Poort laten afbranden ging natuurlijk te ver. We zouden het ‘afdrinken’, zoals dat heette. De Wageningers zijn binnengekomen, dat waren er een 200, zodat wij sterk in de minderheid waren. Ze hebben toen de piano toets voor toets en snaar voor snaar uit elkaar gesloopt en de rest in mootjes gehakt en door het luik gegooid. Het gekke was, dat we die nacht helemaal geen politie hebben gezien. Niets! Afijn, om 6 of 7 uur in de morgen zijn ze vertrokken en hebben wij de boel hersteld. Maar als voormalige hulpbode bij de gemeente Kampen wist ik dat de burgemeester om een uur of acht ‘s morgens het rapport van de commissaris zou krijgen en daar zou ongetwijfeld in staan dat er vernielingen aan de poort waren aangericht. Dus zorgde ik er samen met een ander voor dat we de toenmalige burgemeester Berghuis te spreken kregen voordat-ie dat rapport kreeg. Dat lukt en hij leek niet erg onder de indruk. Nou, en toen kwam de rekening van die vernielde deur! Die was oorspronkelijk van vurenhout zeg maar, maar er kwam een stevige, zoveel mogelijk authentieke deur voor terug. Dus dat hebben we geweten...’