1. Stel tijdens het lezen van een tekst vast in hoeverre de schrijver verbanden legt met andere onderwerpen en andere vakken. Probeer zelf bij elk onderwerp te bedenken wat je er al van weet. Wat heb je eerder gehoord, gezien of gelezen?
2. Bedenk bij elk onderwerp wat het nut kan zijn dat je het leert. Zaken waarvan je hebt bedacht hoe nuttig ze kunnen zijn, leer je gemakkelijker dan zaken waarvan je het nut niet inziet.
3. Bedenk bij elk onderwerp voorbeelden van wat in de tekst staat. Als in de tekst ook voorbeelden zijn gegeven bedenk je zelf nieuwe.
4. Schrijf bij je aantekeningen (schema, samenvatting, bij de tekst) welke toepassingen je kunt bedenken voor de onderwerpen in de tekst en met welke andere vakken je verbanden ziet.
5. Leer niet alleen de zaken uit de tekst, maar ook de voorbeelden, toepassingen en verbanden die jezelf hebt bedacht.
Regelmatig oefenen van deze punten is nodig en helpt verbanden leggen.